www.jufjanneke.nl

0
GD Star Rating
loading...

Thuiswerken; 26 rekenactiviteiten

Janneke 2 mei 2020

Het is een bijzondere tijd! Kinderen werken thuis met hun ouders aan allerlei opdrachten, de klassen zijn leeg en de leerkrachten zitten hele dagen achter een computer of laptop om ouders en kinderen te begeleiden, nieuwe opdrachten te bedenken en maken filmpjes zodat de kinderen deze weer kunnen gebruiken bij hun lessen. Elke dag krijgen de kinderen weer opdrachten om mee aan de slag te gaan. Hoe langer deze periode duurt, hoe meer opdrachten je gebruiken kunt. Inmiddels is duidelijk dat we binnenkort de kinderen weer zo nu en dan naar school mogen laten gaan. Voor de andere dagen kun je misschien deze opdrachten gebruiken

Ik probeer zoveel mogelijk activiteiten te kiezen waar de kinderen mee aan de slag moeten en kies liever niet voor werkbladen. 

Getalbegrip

  • Rangtelwoorden oefenen; Rangtelwoorden zijn de woorden; eerste, tweede, derde, etc. Pak een snoepje of een tomaatje. Pak bekers, kopjes of feesthoedjes en leg onder een van deze voorwerpen het snoepje. Daarna mag je raden onder het hoeveelste voorwerp het ligt. Is het goed? Dan mag je het opeten.
  • Tellen met een ballon Overgooien; Pak een ballon en blaas deze op. Hoe vaak kun je de ballon naar elkaar toe slaan? Hij mag niet vallen hoor! Heb je geen ballon, pak dan een bal en gooi over. Ben je alleen, stuit de bal dan op de grond, hoe vaak kun je dit?
  • Bekers stapelenWe gaan bekers stapelen. Heb je 10 bekers thuis? Het liefst van papier of plastic. Zet er vier onderaan, drie erop, twee daar op en tot slot de laatste bovenop. Laat het kind de ogen dicht doen. Pak een paar bekers weg en verstop deze bijvoorbeeld onder je trui. Nu mag het kind raden: hoeveel bekers zijn weg?
  • Getallen springenWe gaan getallen springen! Hoe? Spring voor de tientallen ver weg. Voor de eenheden, doe je stapjes. Bedenk een getal: b.v. 22. Doe daarvoor twee grote sprongen en daarna twee stapjes. Laat iemand raden en draai het dan om.
  • Turven;  Neem een vel papier en een potlood mee naar buiten. Ga naar een straat waar auto’s rijden of mensen lopen. Zet voor iedereen of elke auto die je ziet een streepje rechtop en de vijfde erdoorheen. Ga zo 10 minuten tellen hoeveel je ziet en turf dit.
  • Turven vervolgGa in huis op zoek naar voorwerpen en leg hier steeds turfbeelden mee. Hoeveel heb je gevonden?
  • Springen van de getallenrij; Schrijf de getallenrij met stoepkrijt op zover je dat kan. Spring eroverheen en noem hardop op welk getal je staat. Gooi dan met een steentje of propje op een getal, Deze moet je nu overslaan. Noem weer de getallen hardop behalve deze. Gooi nog een keer, deze komt er ook bij…. hier mag je dus ook niet op staan. Hoever kom je?
  • Getallenrij variant; Staat de getallenrij er nog? Pak twee vaatdoeken of zakdoeken en laat die door iemand op een getal leggen. Niet kijken….. daarna probeer je te raden op welk getal het doekje ligt.
  • Getalbeelden op een dobbelsteenHet is voor kinderen goed om te leren om in een oogopslag te zien hoeveel stippen er op een dobbelsteen staan in plaats van elke keer te tellen. Gooi met een dobbelsteen en zoek evenveel voorwerpen op. Doe dit net zo vaak tot je alle kanten van de dobbelsteen hebt gehad.

  • SplitsenSplitsen is dat je weet dat 5; 1+4, 2+3, 3+2, 4+1, 0+5 en 5+0 is. Zo kan dat ook met andere getallen. Pak een beker en wat kleine voorwerpjes: macaroni, kleine blaadjes, kiezelsteentjes etc. Pak een hoeveelheid en tel hoeveel het zijn: bijvoorbeeld 5  maar meer of minder mag ook. Til de beker op en doe die over een deel van de voorwerpen heen. Hoeveel zie je nog? Hoeveel liggen er onder de beker? Sommige kinderen kunnen daar vast wel een som van maken: Schrijf dit op. Maak zoveel mogelijk verschillende splitsingen.

Meten

  • Op speurtocht in huisZoek samen spullen in huis en leg die neer van groot-klein, dik-dun, hoog-laag. 
  • Meten in huis; Geef je kind een meetlint en geef hem/haar opdrachtjes om dingen te meten in huis. Wat is langer/korter? Hoe weet je dat? Wat is het langste voorwerp dat je kunt vinden? Wat is het kortste voorwerp?
  • Meten in je slaapkamer1. Hoeveel stapjes is je slaapkamer? 2. Hoe vaak pas jij liggend in je slaapkamer? 3. Hoeveel handen is je slaapkamer lang?
    4. Hoeveel voeten is je bed? 5. Hoeveel handen is je bed? 6. Hoe vaak pas jij in bed?
  • Anderhalve meter; Zo ver moet je afstand houden….maar hoe ver is dat eigenlijk? Ga thuis aan de slag met een meetlint. Laat eens zien of 1,5 meter langer is dan jullie zijn, kun je sokken in de wasmand gooien vanaf 1,5 m? Maak eens een slinger van 1,5 m en kun je 1,5 meter hoog springen? Of anders ver?
  • Knikkeren; Graaf een kuiltje in de tuin of ergens waar zand ligt. Dat wordt het knikkerpotje. Zoek steentjes op en zet een streep ongeveer 1,5 meter voor het knikkerpotje. Gooi vanaf de streep de steentjes richting het knikkerpotje. Hoeveel zijn er raak? Hoeveel zijn er mis? Welke ligt het dichtste bij en welke veraf?
  • 1 minuut; Wat kun je allemaal doen in een minuut? Een uur heeft 60 minuten en een minuut heeft 60 tellen. Dat lijkt misschien lang maar dat kan ook tegenvallen. Laat iemand de tijd bijhouden. Spring op en neer tot de minuut voorbij is; dan is een minuut best lang, toch? Loop nu naar buiten, ren een rondje om je huis of om het blok en kom weer terug….. ben je op tijd? Nu is een minuut juist weer kort! Kun jij je naam schrijven in een minuut? Bedenk zelf iets dat je in een minuut kan doen en kijk of dat lukt.

Meetkunde

  • Bouwen en tekenen; Vandaag ga je een bouwwerk maken. Je mag kiezen uit: lego, blokjes, duplo of iets anders dat je in huis hebt. Bedenk eerst wat je gaat maken. Ga dan aan de slag. Is het klaar? Teken het bouwwerk dan eens na. 
  • Spiegelen; We gaan spiegelen met elkaar en met spullen. Hoe we dat gaan doen? Je hebt hiervoor allerlei voorwerpen nodig die je in je huis kunt vinden. Leg iets in het midden dat een streep voor kan stellen bijvoorbeeld een springtouw of een bezemsteel. Ga nu aan de ene kant iets neerleggen en doet datzelfde aan de andere kant. Ga zo steeds verder.

  • Maak een reeks; Maak een prachtig patroon of reeks door steeds te herhalen; bijvoorbeeld; twee vorken, een lepel, twee vorken, een lepel.
  • Vliegen met het vliegtuig; Vouw een vliegtuigje van een a4 papier. Denk goed na hoe ver dit vliegtuigje gaat komen. Zet daar iets neer. Ga dan gooien en probeer of het gaat lukken! Heb je ver gegooid of juist dichtbij?

Groep 3 activiteiten

Getalbegrip

  • Cirkel springen; Teken een cirkel en daaromheen de getallen 1 tot en met 10. Spring wijdbeens op twee getallen en maak daar een som van. Wat is het antwoord op deze som? Schrijf de som en het antwoord op.
  • Rekenen met de eierdoos; Gebruik hiervoor een eierdoos van 10 eieren en twee paperclips. Schrijf aan de binnenkant van de eierdoos onderaan waar de eieren zitten de getallen 1-10.Doe het deksel dicht. Schud de doos heen en weer en open het deksel. Waar zitten de paperclips? Groep 3 maakt er een som van en telt deze op. Groep 2 kan het optellen zonder te schrijven, maar dat mag natuurlijk wel!

  • Rekenen met takken; Gebruik grote takken voor de 10 tallen en de kleine takken voor eenheden. Leg een getal bijvoorbeeld drie grote takken en vier kleine. Dat wordt dan samen 34. Wissel het af, dan doet de een het en de ander raadt het antwoord en andersom
  • Splitsen met de vingers; Steek een hoeveelheid vingers omhoog. Het kind antwoord door een hoeveelheid omhoog te steken waardoor het samen 10 wordt. Dus bij zeven vingers, moet de drie. Bij zes vingers moet de vier, etc.
  • Rekenen in cirkels; Teken een grote cirkel en schrijf daarin een 1, teken dan een kleiner cirkel in de grote en schrijf daarin een 5, in het middel komt een kleine cirkel en daarin komt de 10. Gooi met een sok, een prop papier of een zachte bal, drie keer. Waar komt de bal op? Maak hier een som van en tel op.
  • Rekenen in pannen; Haal een aantal pannen uit de kast. Leg daar papiertjes in met daarop 1, 2, 3, 4 en 5. Gooi met drie zachte voorwerp of bal in de pan. Hoeveel punten heb je? Maak er een som van en tel dit op

Misschien een leuk idee. Elke week maakten we met een aantal leerkrachten een filmpje. De ene keer gingen we sjoelen, de andere keer blikgooien of darten. De kinderen keken naar de wedstrijd en gingen elke keer raden wie er heeft gewonnen door de punten op te tellen.

 

 

 

 

 

GD Star Rating
loading...

Login to your account

Can't remember your Password ?

Register for this site!