Ieder kind gaat wel eens mee een
supermarkt in om boodschappen te doen. Daar wordt bepaald wat je gaat
eten. Ook moet je daar kiezen uit wat je gaat kopen en waarom? Koop je
zomaar alles of niet? Allemaal vragen waarop we tijdens dit thema
antwoord proberen te vinden.
Met de klas een bezoekje brengen aan de
supermarkt. Eventueel onder begeleiding van ouders in kleine groepjes.
Hou eerst een kringgesprek en vraag de kinderen wat ze weten over de
supermarkt. Laat ze in de winkel bekijken waar de spullen staan en hoe
de spullen in de winkel staan, sommige dingen staan vlak bij elkaar,
waarom is dat? Kun je de boodschappen zo mee naar huis nemen?
De kinderen hebben de volgende conclusies
getrokken:
Alles staat bij elkaar
Alle soorten staan bij elkaar
Er hangen prijzen op zodat
iedereen weet hoeveel het kost
Er zijn ook bloemen
Bij het afrekenen kun je ook
pinnen
Echt boodschappen doen in de winkel
De kinderen hadden een lijstje mee met daarop plaatjes met wat ze
moesten halen. In de portemonnee zat het geld. Samen met een ouder had
iedereen in het groepje een taak.
Aankleding
van de klas
Opening
van het thema
Verzamel in de weken voorafgaand aan het
project allemaal doosjes van etenswaar en drinken. Ik heb de ouders van
de klas gevraagd om te helpen sparen. In de klas stond een grote doos
waar iedereen de doosjes kon doen.
Alle kinderen krijgen per tweetal een
doosje en gaan dit samen bespreken. Ze moeten het hebben over: wat is
het, wanneer eet je het, vind je het lekker of niet? Daarna koppelen we
het terug in de kring.
In de kring leg ik allemaal hoepels neer
en ieder kind mag een doosje uitzoeken. We gaan alle doosjes sorteren.
Warme maaltijd, ontbijt, drinken, snoep, etc.
Als alle doosjes gesorteerd zijn, gaan we
een spelletje doen: leg een verzameling dozen voor je neer. Zet er een
andere doos bij van een andere verzameling en laat de kinderen raden,
welke doos niet goed staat en waarom niet.
Daarna worden de dozen in de winkel
geplaatst. maak meteen aparte afdelingen: melk, groente, snoep,
etenswaren voor het diner, vlees, dierenvoeding, etc. We maken
naamkaarten erboven van de verschillende afdelingen.
Is de winkel ingericht dan volgt een
kringgesprek wat er nog meer bij hoort. Deze dingen gaan we dan eerst
maken, voordat de winkel geopend wordt.
Zintuigspelletjes
Voelspel; doe verschillende
etenswaren in een voelzak en laat de kinderen raden wat het is: een
sinaasappel, appel, leverworst, flesje drinken, komkommer.
Proeven; Leg een bord op een tafel
en laat de kinderen, geblinddoekt, allerlei etenswaren proeven uit
de supermarkt.: komkommer, appel, maderijn, peer, banaan, kiwi,
appelsap, snoepje, blokje kaas, plakje worst, etc.
Knutselopdrachten
Poster voor in de winkel maken
met aanbiedingen erop.
Winkelwagen maken; Knip uit
folders van winkels de boodschappen
De kinderen mogen een verpakking
uitkiezen en deze naschilderen. De kinderen vonden het erg leuk
om te doen.
Portemonnees om mee te betalen: er
zitten kartonnen munten in en de pinpasjes.
Voordat kinderen naar de winkel gaan, zoeken ze hun eigen
portemonnee op en gebruiken die bij het spel. Er wordt met de
kartonnen munten betaald of met de pinpas.
Deze portemonnees hebben een handige knoop zodat het ook echt
dicht kan. (Els van Tiel)
Vleeswaar op een schaaltje (Els
van Tiel)
Boodschappenwagentje van een
doosje.
Plak er toiletrollen onder en vul de boodschappenwagen met
kleine verpakkingen.
Hoeken
Supermarkt in de klas
Twee kinderen mogen de supermarkt gaan
inrichten. Alles moet rechtop, vonden ze. Daarna hebben we de inrichting
besproken. Wel netjes maar alles staat door elkaar. Dat hoort niet zo.
De volgende dag zijn we daarom naar de supermarkt in de buurt gelopen en
hebben gekeken hoe het dan wel hoort. Dat heeft duidelijk geholpen
Alles staat soort bij soort en er staan
prijzen op zodat de mensen weten hoe veel geld het gaat kosten.
En daar staan ze dan met hun pinpasjes.
Het is net echt!
Poppenhuis; er staat een mand met
boodschappen voor de deur
Legohoek; Winkels moeten
bevoorraad worden. Dat gebeurt door vrachtwagens. Daarom worden in
de legohoek verschillende vrachtwagens gebouwd.
Bouwhoek; Bouw in de bouwhoek een
supermarkt. Daarna mogen er echte doosjes in om mee te spelen.
Verteltafel; boodschappen doen;
boekje: Boris doet de boodschappen
Nadat de kinderen het boekje tijdens
de speel/werktijd hebben nagespeeld mogen ze het later in de kring
laten zien. Dan geven ze een voorstelling. Dat stimuleert enorm!
Wat moet
er aan de orde komen?
Hoe ziet een supermarkt er
uit?
Wat wordt er verkocht
Hoe doe je boodschappen
Spel
en beweging
Spelletjes:
Zitten/staan; De kinderen staan in
het speellokaal. De leerkracht noemt allemaal etenswaren. Als je het
lekker vindt, ga je staan, als je het niet lekker vindt, ga je
zitten.
Winkelwagentikkertje; Een van de
kinderen is de winkelwagen en probeert zoveel mogelijk boodschappen
te tikken. De andere kinderen zijn de boodschappen en rennen rond.
Als ze getikt zijn, gaan ze in het midden op twee matten zitten. Als
de leerkracht roept; ik ga boodschappen doen! stopt het spel en kan
de leerkracht samen met het kind dat de winkelwagen was, de
boodschappen tellen
Boodschappenspel; In het midden
ligt een mat en in de vier hoeken van het speellokaal liggen vier
matten. U spreekt af welke boodschappen de kinderen zijn: snoepjes,
vleeswaren, zuivel, brood, kaas, frisdrank, etc. U gaat boodschappen
doen en zegt wat u nodig hebt: bijvoorbeeld: zuivel. Die kinderen
komen van hun mat af en lopen in het speellokaal rond. Als u zegt:
ik doe boodschappen, probeert u deze kinderen te tikken. Welke
kinderen getikt zijn, gaan in het midden in de winkelwagen zitten.
Daarna gaat u andere voedingsmiddelen opnoemen. U kunt ook twee
tegelijk doen: bijvoorbeeld kaas en brood. Dan lopen er twee groepen
kinderen.
Door elkaar bewegen; De kinderen
zijn de winkelwagens en proberen zonder te botsen rond te
lopen/rennen/springen etc.
Stappen nemen; De kinderen staan
aan de ene kant van het speellokaal en aan de andere kant staat een
kind. Deze noemt steeds woorden van bijvoorbeeld beleg. Alleen bij
het woord hagelslag mogen de kinderen een stap nemen. Bij andere
belegsoorten, staan ze allemaal heel stil. Wie is het eerst aan de
overkant? Wie beweegt tijdens andere belegsoorten is af en moet gaan
zitten.
Dans:
In Kleuterdansen 5 van
www.nevofoon.nl staat een leuke dans over de supermarkt.
Links
Muziek
In de klas gebruik ik een
muziekkastje. Hierin zitten allerlei opdrachten rondom een thema. Ik
maak hierbij veel gebruik van materialen van
www.kinderboekenmuziek.nl en de cd's met dansideetjes van
www.nevofoon.nl. In de
bovenste lades zitten opdrachten rondom ritme, dans en muziek
beluisteren. Voor ritme zit er een klepper in, voor dans een
popje van Olivia en voor muziek beluisteren een muisje met grote
oren. In de grote la in het midden komen elke keer andere
muziekinstrumenten en in de onderste la zit een mapje met
liedjes.
Opdrachten voor het muziekkastje:
1. Ritme; Ritmeklappen van verschillende producten uit de winkel: appel,
brood, sinaasappel, rijst, macaroni, hondenvoer, soep, thee,
chocolademelk, yoghurt, etc.
2. Dans; In Kleuterdansen 5 van
www.nevofoon.nl staat een leuke dans over de supermarkt.
3. Muziek beluisteren; Kokers met verschillende voedingsmiddelen erin;
rijst, macaroni, water, spaghettistukjes, brokjes koek, etc. Vul steeds
twee kokers met hetzelfde. Laat de kinderen luisteren: wat klinkt
hetzelfde?
4. Muziekinstrumenten; Muziek maken met de kokers die gebruikt zijn bij
het muziek beluisteren. Laat de kinderen meespelen door met de kokers te
rammelen.
5. Liedjes; Liedjes over de supermarkt en eten (Zie thema Smakelijk
eten)
Uit het boek: Liedjes over dingen waar
geen liedjes over zijn: ISBN: 9789067346313 van Jan de Waard
De supermarkt
Een cent
Ik heb een cent gevonden!
Hoera! Een cent.
Ik heb een cent gevonden,
het is een hele mooie,
het is een hele ronde!
Op de ene kant staat een gezicht,
dat zal de Koningin wel wezen;
op de andere kant staan lettertjes.
Die kan ik nog niet lezen.
Jij wel?
Computer Hier kun je een word bestand vinden waar de kinderen woorden na
kunnen typen. Daarna kun je het bestand uitprinten. Als je daarna kiest
voor niet opslaan, kan een ander kind de woorden natypen.
Knijpkaarten; Dit
materiaal
werkt als volgt: print de kaarten uit en plak ze beiden op een A4 (één
op de voorkant en één op de achterkant). Lamineer de kaart. Daarna
krijgt de leerling een kaart en
6 verschillende kleuren wasknijpers. De leerling kijkt aan de linkerkant
van de kaart voor de 'vraag' en geeft aan de
rechterkant het antwoord door daar de juiste kleur wasknijper op te
plaatsen. Aan de achterkant kan de leerling zien of de kaart goed
gemaakt is.